Deel

advertentie

Uitgelicht: Name Dropping door Hans Dekker

Lucebert

Uitgelicht: Name Dropping door Hans Dekker

Hij pakte de fles Ciento y Tres en schonk voor ons beide nog wat in de kleine stoere glaasjes. Het moet een uur of vijf in de middag zijn geweest. We zaten op de veranda en keken over de bloedhete heuvels van Javea. Lucebert en ik.

We luisterden naar Cannonbol Adderly life. Muziek die ik had opgenomen op een TDK SA 90 cassette en Lucebert waardeerde deze muziek. Ik was samen met een vriend van mij naar Javea gereden in een witte Fiat 125, een mooie en snelle vierkante auto. Op de deur bij het portier van de bestuurder hadden we met plakletters een tekst geschreven: ‘Drivers Hans Dekker & Roel Aartse Tuyn’. Roel en ik waren bevriend met de dochters van Lucebert en zijn vrouw Tony. Noa en Maya zo heten ze, Swaanswijk van hun achternaam. Natuurlijk kenden we de zoon ook, Brecht. Brecht was in die tijd al bezig met het verzinnen van een goede bijnaam die je wel moest hebben als kunstenaar. Ik dacht dat hij Wizzard had gekozen, maar zeker weten doe ik dat niet.

Ik woonde in die tijd in Alkmaar en kwam regelmatig bij de familie Swaanswijk over de vloer op de Boendersmakershof in Bergen. Een super huis vond ik dat toen. Heel anders dan de duplexflat waarin ik was grootgebracht. Mooie witte ruimtes met weinig meubelen en het atelier van Lucebert vol, echt heel vol met werk van de kunstenaar. De meeste schilderijen stonden tegen elkaar aan. Hele grote doeken waarvan je niet kon zien wat erop stond maar je wel wist dat er wat op stond. Ik herinner me in een van de vertrekken van het huis nog een conversatie tussen de schoonzoon van Lucebert en Lucebert zelf. De schoonzoon ging met de oudste dochter van Lucebert die volgens mij uit een eerder huwelijk kwam en ik kende haar eigenlijk niet. De schoonzoon had altijd zijn prachtige Leica bij zich en hij had het over een plek waar hij geweest was in het buitenland ergens en vertelde dat aan Lucebert. Het ging over een opblaastent waar een theater in speelde of een of andere expositie in was, zo iets. Het was nieuw. Hij legde uit dat er in de kunststoftent constant lucht werd geblazen en dat je naar binnen kon door een soort kut. Hij zei dat letterlijk en ik zat met mijn 16 of 17 jaar te klapperen met mijn oren. Bij mij thuis werd zo nooit gesproken. Het woord kut gebruikte ik wel bij of met vrienden maar in de buurt van mijn moeder zeker niet. Ik vond het wel een duidelijke taal, een manier van spreken die mij wel beviel. Ik denk dat die periode mij bewust gemaakt heeft van verschillende dingen, praten in een duidelijke taal, zeggen wat je denkt, leven in een huis dat gemaakt is om in te leven, grote ruimtes, lange tafels, kamers waar je een potje kon breken, waar je, als je zin had kon werken en waar je met vrienden kon drinken en roken, muziek luisteren en praten over dingen die ertoe doen. Een heel groot verschil met het huis waar ik met mijn moeder woonde en waar ik ook als nakomeling 11 jaar na mijn jongste zus ter wereld kwam op de Coornhertkade 79.

De Coornhertkade was een deel van een naoorlogse nieuwbouwwijk van Alkmaar en grensde aan weilanden. De Overdie. In mijn jeugd werd dat weiland omgetoverd tot een park met rijen ongezellige populieren, bomen keurig in het gareel. Uit de grond gestampte gehorige duplexwoningen, van een donkere steen die in mijn herinnering ook vaak natgeslagen waren door de regen. Dat soort beelden zie je nooit op een artist impression van gebouwen. Wij woonden boven. Beneden de familie de Beer met de broers Hans en Ruud en de moeder die dagelijks met een grote tas richting de stad liep en met een volle tas met weet ik veel wat weer terugkeerde. De familie de Beer had een lelijke eend in de tuin, een auto dus, een grijze deux chevaux. Naast ons woonde de familie Jansen met John en Ed, daarnaast de familie de Jong, met Ellie, Hennie en zoon Willem, onder hen weer de familie Klooster met Ben en Rob. De benedenhuizen hadden een klein voortuintje en een achtertuin die werd begrensd door schuurtjes waar ook onze schuur zich bevond en waar ik in de winter soms met de kolenkit kolen moest halen.

De lelijke eend was daar op een of andere manier door de vader van Hans en Ruud ingereden en de bedoeling was om hem te reparen. Maar dat is er nooit van gekomen en konden wij er gewoon mee spelen. De bovenhuizen hadden twee voordeuren naast elkaar. Een steile trap bij ons bekleedt met groen linoleum. Aan de ene kant een bruine houten leuning en aan de andere kant een touw waar je boven aan kon trekken om de deur open te doen. Als kind kon je dat zelfde touw pakken door je hand vertikaal door de brievenbus te steken en zo het touwtje pakken om zo de deur zonder sleutel open te doen. Soms was het touw wat gezakt en moest je een tak van de heg afbreken om het touw eruit te pielen. Boven was een soort overloopje met drie deuren, de toiletdeur met van dat glas waar je niet goed doorheen kon kijken, de keukendeur ook met dat glas en een deur voor de woonkamer met voor driekwart glas verdeeld in kleine vierkante raampjes, dat was wel gewoon doorzichtig glas.

In het piepkleine keukentje, je kent het wel met een geisertje in het midden aan de muur en een aanrecht van granito, een gasstel onder een koof waar mijn moeder een stoffen randje van kleurige stof langs had gemaakt. In dat keukentje stond ook het kleinste tafeltje met een paar houten krukjes eronder geschoven. Dat tafeltje was van het merk Brabantia, vier poten in een soort gebroken wit, van metaal en onder tegen het schuiven of krassen een zwarte rubberen dop. Het blad was bekleed met formica en het tafeltje had afgeronde hoeken. En nu zat ik dus op de veranda aan de grote houten tafel naast deze grote kunstenaar te zitten en stoer een sigaretje te roken. Links kon je de uitgesproken vorm zien van de berg Montgo van Denia. Op tafel lagen verschillende pakjes sigaretten Citanes mais met het gele vloeipapier die ik in Frankrijk had gekocht, een pakje Ducados, met filter in de kleuren blauw met wit. Van wie die waren weet ik niet meer en er lag nog een pakje Idealos Blancos van Lucebert. In het witte pakje, wat gemaakt was van wit glimmend papier, dus niet van karton, lagen de sigaretten. Op het pakje de woorden Idealos Blancos in het zwart. Ze waren 7 pesetas per pakje, dat kon je zien aan het soort postzegeltje waarmee het pakje was dicht geplakt als het in de winkel lag. Het waren de goedkoopste sigaretten van Spanje. Omgerekend in Nederlands geld koste zo’n pakje 17 cent. In die tijd betaalde je voor een pakje Cabalero al 1 gulden 50 meen ik mij te herinneren. Dus reken maar uit. Er zaten, meen ik, 17 sigaretten in het pakje, in ieder geval geen even aantal. Om een sigaret uit het pakje te halen moest je nogal nauwkeurig te werk gaan. Als het pakje opengevouwen voor je lag, moest je de sigaret, die geen filter had, voorzichtig horizontaal uit het pakje trekken, deed je dat niet dan viel de droge zwarte tabak uit het vloeipapier. Als je de sigaret uit het pakje had gehaald, bracht je hem rustig en horizontaal naar je mond en pakte het pakje lucifers van tafel.

De lucifers waren niet de houten die wij zo goed in Nederland kennen maar kleiner en niet van hout maar van gedraaid vet papier, dat wist ik omdat iemand een keer een truckje liet zien. Hij vouwde het met kaarsvet behandelde papier uit elkaar en verstopte het rode zwavelkopje van de lucifer in het vette papier en plaatste het op tafel. Daarna ontstak hij een andere lucifer en hield deze onder het pakketje wat hij net gemaakt had. Als een echt raketje vloog de lucifer omhoog en de rook die het achterliet, beschreef de afgelegde boog. Er was nog iets met die lucifers. Je kon ze langs eigenlijk elke oppervlakte die je maar zag tot ontbranding laten komen. De onderkant van je laars was best wel stoer, maar die had ik niet aan dus haalde ik het kopje onder de grote houten tafel waar we aan zaten en bracht het vuurtje naar de Idealos Blancos en zoog de droge scherpe rook naar binnen. De combinatie van Idealos Blancos met de goedkope 103 (Ciento y tres), de Spaanse cognac, de muziek van Cannonbal Adderly en het lome beetje dronken zitten kijken over het zinderende Spaanse landschap zijn voor mij onlosmakelijk verbonden met het goede leven en natuurlijk met Lucebert. Het zijn achteraf gezien bepalende momenten geweest die mijn keuzes een richting gaven voor mijn eigen leven.

Hans Dekker

advertentie
Terug