Deel

advertentie

Uitgelicht: Name dropping/ horecaherinneringen: ‘De egotrappers’

Door: Hans Dekker

Uitgelicht: Name dropping/ horecaherinneringen: ‘De egotrappers’

In mijn achteruitrij spiegel zie ik Jan Wegenaar in fietstenue met boven zijn hoofd in zijn gestrekte armen zijn kostbare racefiets, het stormt en Jan is blijkbaar erg boos. Dit is vlak voor het moment dat Jan zijn fiets in de met schuimkoppen getopte golven van het Markermeer gooit.

Ik zit in de zogeheten bezemwagen achter het stuur, naast mij Joep Niesink en daarnaast op de bijrijdersbank Bert van Driesel wij zijn het begeleidingsteam van de Egotrappers een nogal apart groepje mannen die samen op deze fietsclub zitten.

Dit verhaal is niet echt een horeca herinnering, maar door de mannen die ik ga beschrijven en hun avonturen komt het er wel dicht in de buurt.
De Egotrappers bestaat uit een groepje nogal eigenzinnige, opvallende, uiteenlopende mannen met eigenlijk als enige overeenkomst liefde voor de het fietsen, goede wijn, lekker eten en heel veel lachen.

De fietsclub bestaat nog steeds zij het dat er langs de weg die het leven heet, veel of veel te veel voortijdig zijn af-of-uitgestapt. Iedere week werd er wel getraind door de leden. Samen maar ook wel apart. De naam Egotrappers klopte wel.
Een keer per jaar werd er een fietstocht georganiseerd en zowel Joep Niesink als Bert van Driesel en mij persoontje Hans Dekker mochten daar een paar keer daarbij aanwezig zijn. De verhalen zullen chronologisch door elkaar lopen en hier en daar wat feitelijke onjuistheden bevatten maar dat mag de pret niet drukken.

Waarom wij gekozen waren was me een raadsel, we konden nog geen wiel verwisselen en termen als op het grote mes en hij draait met gemak 52/12 in tegenwind was voor ons onbekend terrein. Wel hadden we een rijbewijs en stonden we achter een bar of draaiden plaatjes, als compensatie of misschien was dat de reden maakten we zowel een foto als een videoreportage van de tocht en riepen onzin uit in de microfoon die, via versterking, de krakende speakers die op het dak van de bus bevestigd waren, te horen waren. We moedigden de Egotrappers aan die als een stelletje wilde, schuimbekkende, dwazen door de dorpjes scheurden. Niets vermoedende dorpelingen die bij toeval op onze route zaten werden becommentarieerd op alles wat ons opviel, voornamelijk uiterlijkheden waarschijnlijk en dat in wat wij vermoedden dat het plaatselijke dialect was.

Bert van Driesel was een van mijn helden toen ik net in Bergen kwam kijken. Met lange leren jassen kwamen ze dan de Taverne binnen en dat alleen al was een sensatie. Joep is al jaren een vriend van mij en ik herinner mij nog een zwart wit foto die in de Taverne hing waarin hij in een emmer staat zich vasthoudend aan een stok van een dweil. En nu hoorde ik er gewoon bij!

Dat omroepen deden we met een redelijk stadse arrogantie. Arrogantie gold eigenlijk wel voor de hele club. Jongens als Jaap Ruiter, Robert en Roland Selbach, Dee Doeve, Berry Meinen en Cees Schot om er een paar te noemen, die inderdaad als een groep helikopterpiloten op herhaling konden doorgaan. Dat van die helikopterpiloten ging als gerucht door een discotheek in het altijd bruisende Bolsward. Een meisje waar ik toevallig stond te praten vroeg aan mij of ik ook bij de helikopterpiloten hoorde. Ik vertelde de waarheid en had meteen een soort van verkering.

We vielen daar wel op qua kleding en uitspraak der Nederlandsche taal. Cees Schot sprak zo geaffecteerd dat hij zelf ook nauwelijks begreep wat hij zei. We kenden elkaar door en door, niet op familieniveau maar meer op de dierlijke instincten die je

krijgt als je wat mannen van de wereld bij elkaar zet. Zwakheden uitspelen en sterke punten verzwijgen of bagatelliseren. Ik hou daar wel van, want er zit een soort eerlijkheid in.
Het fietsen werd heel serieus genomen en de onderlinge rivaliteit was enorm. Als je niet op een Giovanni zat hoorde je er bij wijze van spreken al niet meer bij en als je dan toch vooraan fietste op een onbekend merk, kwam dat door de coulantie van de rest van de groep die het jou gunde om de kop te nemen. Verkeersregels werden genegeerd, met hoge uitzondering werd er wel gestopt bij een treinovergang als de bomen gesloten waren. Nu hadden de fietsen uit die tijd al van die clips waar de wielerschoentjes in klikten, maar dat is een probleem als je stopt en de ‘surplace’ niet geheel onder controle hebt, zoals Nico Vrasdonk, dan val je pardoes om en neem je de fiets logischerwijs in de val mee. Dan lig je daar onmachtig als een schildpad op zijn rug.

Je krijgt automatisch medelijden met degene die probeert weer te gaan staan. Stuntelig met een likje slapstick en dan ook nog eens onder het aanhoren van vileine opmerkingen en gehoon van de rest van de groep die bij toeval een paaltje vonden om aan vast te houden.

De uitspanningen waar we terecht kwamen waren met een uitzondering waar ik het straks over ga hebben unaniem blij met onze komst. Geld speelde, zo leek het, geen rol als het om koffie en de bij wielrenners zo geliefde appeltaart met slagroom ging. Na wat wetenswaardigheden over en weer en een sanitaire stop ging de altijd naar tijgerbalsem ruikende mannen weer op pad. Dat tijgerbalsem schijnt leeftijd gebonden te zijn maar bij de Egotrappers speelde ook Pieter Klinkenberg een grote rol als importeur van dit hete goedje. De Egotrappers waren dan wel niet oud, maar behoorden wel tot de lijders aan de bekende ziekte PHPD. Pijntje Hier Pijntje Daar de ziekte waar dan tijgerbalsem enorm bij hielp.

Maar nog even over het fietsen. Ik kreeg toch wel respect voor deze groep waar ook Paul en Vincent Zonneveld deel van uitmaakte. Er werd scherp gefietst en helaas weet ik de details niet meer, maar elke fietser had zo zijn zwakte en sterke kanten. Zo reden Jaap Ruiter en Jelle van der Meer meestal voorop of hielpen ze de mindere uit de wind. Dat samenspel van verbroedering is een mooi gezicht. Tijdens het fietsen is er alleen de weg, de wind en de fiets en geld altijd samen uit samen thuis. Natuurlijk heb je altijd de mannen met de goede conditie die de kop nemen en altijd mannen die een beetje lafjes achter de brede rug van iemand blijven rijden, was Jan van Exter ook lid eigenlijk? Tjerk IJsma die, voor zijn gevoel in Friesland een beetje een thuiswedstrijd speelde fungeerde dan ook bij twijfel over de tenemen afslag als een soort eigenwijze Tom Tom. Als je vanuit de auto zo’n peloton van een afstandje vanaf de zijkant ziet rijden en je weet dat de aarde rond is dan is vooraan fietsen ook maar relatief.

De routes waren lang en altijd met een overnachting. Per tocht werd er toch wel zo’n 200 kilometer gefietst. Waar het was ben ik vergeten, maar het zal ergens in Friesland of Gaasterland zijn geweest. We zaten in een zogenaamd familiehotel. Hoogstwaarschijnlijk rietgedekt met een terras met grind een restaurantje met een bar en een krakende trap in twee stukken met een overloopje naar de kamers. We hadden eerst geborreld met veel koude biertjes en nadat Cees Schot hardop met zijn bekende intonatie een ‘Drambuie’ in een gefrappeerd glas met crushed ijs had besteld bij de ober die net het verschil tussen witte en rode wijn onder de knie had vroeg Cees, iets later en al iets vrolijker van de drankjes, aan dezelfde man of er nog ergens in dit gehucht nog cacoïne, zo sprak Cees het uit ‘cacoïne’ te krijgen was. Nadat we hadden uitgelegd wat Cees bedoelde was het antwoord: ”Nee.” Na het

eten, van waarschijnlijk biefstuk met de bekende pepersaus of de bekende varkenshaas met champignonsaus, wat op zich best lekker is in combinatie met patat of gebakken aardappeltjes, de sla met het groen uitgeslagen harde ei en rode of witte wijn. Na het eten zochten sommige mannen vermoeid maar voldaan hun kamer op. Enkele diehards bleven aan het barretje van het hotel hangen waar ook nog een echt Wilhelmina wedstrijd biljart stond. De ober had het wel een beetje gehad met zoveel gezelligheid en wilde naar huis. Hij had ons aan tafel bediend en had genoeg van al die super gebekte adremme mannen. Dat ging helaas voor hem niet door, de weg naar huis, moest via het geopende houten luikje van de bar, maar daar stond Bert van Driesel. Hij attendeert de man erop dat hij gegijzelt was en dat hij op aanwijzingen van Bert een cocktail moest maken voor de overblijvers. Het werd een mix van een klein scheutje Chartreuse, nee, de fles naast de Jägermeister, juist die ja, met een piepje Franse cognac, pak de Courvoicier maar, nee, die twee flessen naar rechts, ja die, dan een druppeltje 12 jaar oude Ballantines wiskey, goed zo en dan afblussen met klein beetje rode Vermouth en ijs natuurlijk. De man stond het huilen nader dan het lachen maar deed het toch maar.
Ik dacht dat ik ook al naar mijn kamer was gegaan, hoewel ik het knopje van het licht niet kon vinden en de lampen best wel irritant fel vond schijnen, maar mij hoor je niet klagen, ik lag toch redelijk comfortabel op het ietwat harde verwarmde matras met groene matras. Een fractie later werd nogal hardhandig door de eigenaar van het hotel wakker gemaakt en aan mijn arm getrokken met de woorden: “Godverdomme nu van het biljart wat denk je wel mafkees.” We strompelden naar boven op handen en voeten. Halverwege de trap stonden alle dieren, die in de omgeving te vinden zijn, ons met glazen ogen aan te staren. Heel creatief had de eigenaar hier een tableau van opgezette dieren neer gezet. Natuurlijk het vosje met zijn droge rood geschilderde bek open en èèn pootje naar voren, de ekster, die gelukkig nooit meer zijn nare geluid kon uitkramen, een egeltje, een duif, een eekhoorn, aan het plafond, aan draadjes, de buizerd en heel zielig eigenlijk Bambi zelf. We pakten enkele van de dieren uit hun nagemaakte natuurlijke habitat en plaatsten ze voor de deuren van de kamers. Daarna klopten we hard op de deuren en verdwenen snel in onze kamers. De volgende ochtend had de organisatie, ik denk Wim Lau of Bouke de Boer, een pittig gesprek met de hoteleigenaar en mochten we nooit meer terugkomen in dit gezellige familiehotel met volgens de folder, zijn vriendelijke en gastvrije bediening.
Zoals eerder gezegd haal ik waarschijnlijk twee tochten door elkaar omdat beide herinneringen op een dijk zijn en beide volgens mij op de terugweg. De dijk Lelystad Enkhuizen waar Jan Wegenaar zijn fiets in zodemieterde en de afsluitdijk waar het aan de kant van Zurich begon. De mannen waren al een tijdje onderweg toen de afsluitdijk in zicht kwam. Joep en ik hadden een mooi plekje gevonden om onze opnames te gaan maken. Ik filmde alles met zo’n grote VHS-recorder vermoed ik. Er bestaat een filmpje van de Egotrappers, onvindbaar bleek bij de reünie, die gemaakt was door Rob Overtoom op super 8 voorzien van een muziek track! I like to ride my bicycle van Queen. Maar de techniek schrijdt voort dus werd deze opgenomen op het vhs-systeem. Achteraf gezien een vrij streperig beeld maar net iets beter dan de maanlanding. De camera hield je aan een handvat aan de onderkant vast en was met een kabel aan de videorecorder verbonden. Best wel een zwaar apparaat die je met een brede riem om je schouders had hangen.
We stonden vlak bij een praatpaal, de gele soort aliens die nu net zijn opgeruimd. In die tijd had je rooksignalen en tromgeroffel maar nog geen mobiele telefonie. Ik had al wat mooie tele-opnames van de groep in de verte gemaakt, het zo gehete

‘getrokken shot’ en het was bij windstil, kortom, lekker weer. Je hoorde de groep aankomen door het prachtige geluid van de iele bandjes op het asfalt samen met het gezoem van geoliede kettingen die over tandraderen en soepel door de gesmeerde derailleurs liepen. Een soort zoeven. Joep had wat foto’s gemaakt. We hadden een grap bedacht die achteraf voor Berry Meine niet zo heel prettig afliep. Als je in zo’n peloton zit, die zich focust om binnen zeer korte tijd met hoge snelheid een lange rechte weg van zo’n veertig kilometer in te gaan, wil je een ding niet en dat is achteropkomen. Je wilt in het ritme van de groep komen met de mannen voorop die het ritme bepalen en jij die dan in het kielzog mee fiets. Lukt dat niet dan moet je in je eentje dat hele kolere stuk afleggen.

Ze waren ons op zo’n meter of tien genaderd en hadden er al flink de vaart erin toen Joep en ik riepen wijzend op de praatpaal: “Telefoon voor Berry Meine”. Sommige moesten lachen. Toen nog harder: “Telefoon voor Berry Meine!” Het was natuurlijk een gekke grap en zo absurd dat je daar natuurlijk niet op reageert, maar het tegendeel was het geval. Plotseling knijpt Berry hard in de remmen, draait om en rijdt naar ons toe en met een rood hoofd van de inspanning de opgedroogde witte spuug in de mondhoeken en roept buiten adem: “Wie is het?” “Ja, niemand natuurlijk Berry, dat kan toch ook niet.” De groep reed op volle snelheid door. “Kom op Berry erachteraan.” riepen we nog, maar na een verwoede poging moesten we Berry toch meenemen in de bus. Wat was hij kwaad. We hebben hem verderop ruim voor de groep weer kunnen droppen. Maar helaas, ook die poging mislukte. De groep Egotrappers zat lekker in cadans en reed als een TGV avant la lettre voorbij.

Het verhaal van de andere dijk is misschien wel nog dramatischer. Het stormde op de dijk Lelystad Enkhuizen. Niet een beetje, nee, heel erg. De bestelbus zat vol met teneergeslagen, vermoeide en vochtige Egotrappers. Het is natuurlijk geen schande om op te geven maar lekker is het niet. Door de enorme wind fungeerden wij een beetje als windbreker voor de achter blijvers. Die moesten op hun tandvlees doorgaan omdat er echt geen fiets of renner meer in de bus kon. Drie wielrenners achter de bus waarvan ik zeker ben van Jan Wegenaar en bijna zeker dat Gerrit Krijt en Paul Wijffels de andere waren, maar dat weten de jongens zelf het beste en zullen dit zeker ontkennen. De wind en regen was zo heftig dat eigenlijk alleen degene die in het midden fietste het meeste profijt had. Daarom riepen we af en toen door de speaker op de auto dat er gewisseld moest worden. Daar werd dan morrend gehoor aan gegeven. Totdat Jan Wegenaar in het midden fietste en naar het leek plotseling een ernstige gehoorbeschadiging had opgelopen. Verschillende keren riepen we met het volume op tien, met piep, dat er gewisseld moest worden. De twee fietsers aan de buitenkant stootte hem af en toe zelfs aan, maar reageren deed Jan niet of we moeten het bewegen van zijn hoofd als nee beschouwen. Stoïcijns bleef hij de pedalen rond trappen. Op het moment dat de twee fietsers aan de buitenkant achteropraakte en echt niet meer bij konden blijven stopten we de bus, stapten uit en smeekte Jan om, als we verder gingen, te wisselen van plek. Jan was buiten zinnen en vond dat hij recht had om in het midden te blijven. Ik weet niet wat hij allemaal zei de meeste woorden gingen gelukkig verloren in de storm. Hij stopte ermee en wel direct. We konden hem niet meer overhalen en met nog twee fietsers achter de bus reden we richting Enkhuizen, Jan achterlatend met zijn fiets die hij met twee handen oppakt en onder het oog van de verbouwereerde afgehaakte Egotrappers die nog in de bus zaten, met een boog in het wilde ruime sop van de Markermeer flikkert.

Hoe het verder is afgelopen weet ik niet meer maar ik weet nog wel dat we Bergen binnen reden met mooi weer en na een rondje om de ruïne kerk als helden werden ontvangen in de Lamoraal.

advertentie
Terug