Lezers met een mening: onderzoek Lucebert

Door: Haye van der Werf

Het college van Bergen besloot 26 maart 2024 het Literatuurmuseum de opdracht te geven om onderzoek te doen naar brieven die Lucebert schreef in de Tweede Wereldoorlog.

Er is een drietal redenen vraagtekens te plaatsen bij dit onderzoek en dus ook de kosten daarvan.
Allereerst:
in het verleden en vlak nadat de biografie van Wim Hazeu aandacht besteedde aan deze brieven, de context en de inhoud is er al veel gepubliceerd en becommentarieerd aangaande deze ‘faux pas’ van Lucebert.
Meest uitgebreid wellicht zelfs in het boek “Door de schaduwen bestormd” met “Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert”.
Lees dat allen nog maar eens na!

In de tweede plaats: bijna gelijktijdig met de aankondiging door het College opende in het Stedelijk Museum Alkmaar de tentoonstelling: “100x Lucebert”.
(Overigens had deze natuurlijk in Kranenburgh gemoeten!!).
In deze tentoonstelling ook uitgebreid aandacht aan zijn brieven en gedragingen in de Tweede Wereldoorlog en Duitsland.
Typerend voor de beoordeling van zijn werk en handelen is een citaat uit de recensie van deze tentoonstelling in het NRC: “Door die veelzijdigheid te belichten, zit de expositie vol wisselvallige kwaliteit – zo gaat dat bij experimenten. Ook die tonen iets van de complexiteit van mensen en van kunst. Namelijk dat eensluidende antwoorden niet te vinden zijn. Alleen verwarring. Zoals het lyrische en chaotische absurdisme in het werk van Lucebert.”
Maar er is  ook een eerder artikel in het NRC “De onthulling van nazistische brieven en tekeningen van kunstenaar Lucebert hebben tot morele verontwaardiging geleid, maar historici moeten er juist blij mee zijn”, vindt Daniela Hooghiemstra.
(16 september 2022)

In de derde plaats: het voorgaande geeft aan dat er zowel kwantitatief als kwalitatief al veel gezegd en geschreven is ter duiding en waardering van Luceberts gedrag.
Waarbij steeds de ondertoon is dat de uiteindelijke beoordeling daarvan vooral bepaald wordt door de wijze waarop ieder individu aankijkt tegen het gedrag van (jonge) mensen.
Is er begrip voor een ‘jeugdzonde’?, heeft iedereen recht op een tweede kans en/of moet een misstap steeds voor de voeten geworpen worden?

Die vraag wordt niet opgelost met verder onderzoek na al hetgeen reeds is gedaan.
Beter kan het College uitzoeken welke gevoelens in de Bergense samenleving, en wellicht daarbuiten, de overhand hebben en of deze huns inziens enig besluit rechtvaardigen.
Maar daar is moed voor nodig en niet de uitkomst van een kostbaar onderzoek.

Haye van der Werf