Een kunstenaar aan de kust. Vincent Bakkum vertelt...

Als ik Tjibbe zaterdagochtend ophaal, voel ik mezelf ook weer even jongen. Of beter: voel ik vluchtig de jaloezie die ik als jongen ervoer in het bijzijn van rijke jongens die leefden met een vanzelfsprekendheid die mij toen al vreemd was.

Tjibbe heeft een mooie kop met krullen en blikt vanonder die voorhang als een loom roofdier de wereld in. Hoewel hij moet uitkijken dat z’n in honing gedrenkte larvenleven zich niet te jong in molligheid manifesteert, zit-ie nog strak in het vel.
Om hem te schilderen zou ik wat foto’s van hem maken. Ik pik hem op bij een vriend waar hij is blijven slapen, in een villa aan het Wiertdijkje met uitzicht over de landerijen. Het grind van de oprijlaan onder de autobanden knarst van ‘oprotten, privéterrein.’ Binnen is het een gezellige drukte. Aan het keukeneiland zitten een half dozijn Tjibbes en twee tienerzusjes. Er worden eieren met spek gebakken, het vruchtensap wordt per pak naar binnen gekolkt, de ‘mannen’ snoeven met schorre stemmen en rode ogen over hun heldendaden van de afgelopen nacht. De zusjes hopen stiekem op mededelingen die hen niet aangaan. Geen opmerking, geen beeld blijft binnenskamers. Het samenzijn ligt virtueel diep ingebed, ze zijn met velen, hun achterban is immens.

‘Fucking hell!’ blèrt de zoon des huizes in z’n mobiel. ‘Dat meen je niet!? Fucking hell!’ En naar z’n vrienden: ‘Hé, guys, Jerry doet het niet.’ En in z’n mobiel: ‘Is Gucci! Tot Monaco!’
‘Sgoed! Tot morgen!’ verduidelijkt z’n moeder.
Zal zij af en toe ook ‘Fucking hell’ vloeken in de stilte van het huis, als het spul de hort op is en de weilanden achter het keukenraam zich in alle leegte uitstrekken? Haar ex woont op steenworp afstand, aan de Eeuwigelaan, met een pubermeisje van veertig met operatief verwijderde zwevende ribben en een kinderwens op de vierde plaats van een idioot lang verlanglijstje.

Je hoort wel eens wat.
Iedere beweging van Tjibbe wordt door de tienermeisjes nauwgezet ontleed, elk achteloos uit zijn mond rollend woord geproefd. Zelfs een overdreven luide boer wordt door hen zwijmelend ontvangen. Hun gekwijl ontgaat hem, gewend als hij is aan dit soort aandacht.
Wat keek ik ooit op tegen jongens als Tjibbe, die in grote huizen in het bos woonden en als gepensioneerde vrijgezellen door het leven gingen. Terwijl hun bedjes gespreid waren,
had ik de zorg over mijn verstandelijk beperkte tweelingbroer, repareerde ik de visnetten van mijn vader, had ik een krantenwijk en schilderde ik in de avonduren landschapjes bij kaarslicht om de medicatie van m’n broer te kunnen betalen.
Een paar dagen later word ik door een andere Tjibbe, de zoon van een kennis, gevraagd om te modellen voor zijn nieuwe kledinglijn: T-shirts en sweaters voor drie generaties mannen. Ik vraag het niet, maar hoop de middelste groep te mogen vertegenwoordigen. De locatie is het ouderlijk huis van z’n vriend en compagnon, een moderne kolos waar je suppoosten verwacht en een museumwinkel.
Ik doe alsof ik al m’n hele leven, net als Tjibbe, niet anders gewend ben; alsof ik op m’n twintigste ook al eens een kledinglijn runde; alsof ik thuis ook een hek met wachttorens rond het erf heb.
Gelukkig wordt mij als kunstenaar veel vergeven: m’n rammelende damesfiets, m’n BlackBerry, m’n afgedragen kledinglijn; ter meerdere eer en glorie van de eenvoud, zal ik maar zeggen.
‘Fucking hell! Ziet er goed uit, man!’ zegt Tjibbe over de foto’s. Hij wipt een lok van z’n voorhoofd en steekt z’n duim op. Ik straal van geluk, voor hetzelfde geld laten ze de leeuwen los.
‘Ik breng je van de week wel een shirtje, goed?’ zegt Tjibbe.
Is Gucci, Tjibbe.