De raadsverkiezingen en de sociale media…

Door: Gerrit Mollema

Vroeger betekende de verkiezingsstrijd discussies in rokerige buurthuiszaaltjes met koude koffie, tegenwoordig vinden die gevechten plaats op internet. De meeste posters zijn aardige doorsnee burgers, maar er zitten ook een flink aantal kwaadaardige sociale komedianten tussen die zich nogal eens bedienen van kreupel Nederlands. Hieronder een aantal signalen waaraan ze zijn te herkennen.

Ze verpakken beschuldigingen meestal in een vraag
Zo’n digibericht kan er zo uitzien: ‘Is het toevallig dat de firma Bot Bouw die het sentrum van Bergen gaat opknappen is gevestigt in Dijk en Waard waar Peter Rehwinkel interim burgemeester is, een functie die hij eerder vervulde in Bergen, en waar hij werd opgevolgt door zijn friend Lars Voskuil? Lijkt dit niet erg op een eentweetje vol belangenverstrengeling van deze otoriteiten? Waarmee misschien ook nog geld gemoeit is? Zou kunnen. Tog?’ Kijk, dan heb je in een klap twee mensen verdacht gemaakt. Weliswaar zonder een grijntje bewijs, maar je bent door de vraagtekens juridisch gedekt en bij een hoop followers gaan dit soort teksten erin als Gods woord in een ouderling.

Ze hebben een hekel aan de reguliere, plaatselijke politici
Zakkenvullers zijn het, baantjesjagers en pluchezitters, vinden de virtuele radicalen. Dat al die raadsleden en wethouders democratisch zijn verkozen kan dan wel zo wezen, maar dat is nog geen reden om ze niet flink af te zeiken. De laatste tijd is de jonge wethouder Klaas Valkering van ruimtelijke ordening een gewild slachtoffer. Toegegeven, hij ziet eruit alsof hij in de wieg al een kostuumpje met stropdasje aan had, maar ambities en doorzettingsvermogen kunnen hem niet worden ontzegd.

Toch gaat de bewondering van de leden van de virtuele samenleving liever uit naar initiatieven van zogenaamde burgerparticipanten. Want dat zijn nog eens mensen met nobele motieven die het beste met ons voor hebben en, ook belangrijk, zich keren tegen de gemeente. Daarbij wordt nog wel eens vergeten dat het dan om kleine clubjes gaat die maar een deel van de bevolking vertegenwoordigen en zich op één probleem richten (denk aan Geen Ballen maar Bollen). En dus wel degelijk eigen belangen hebben.

Ze wantrouwen de gewone media
Die zijn te links of ze brengen ‘nepnieuws’. Maar de weerzin van de digitale rebellen heeft waarschijnlijk meer te maken met het feit dat die ‘oude’ media het principe van hoor en wederhoor toepassen. En daar hebben de aanhangers van samenzweringstheorieën – twee kanten aan een verhaal? Dat kan niet – een bloedhekel aan.
Bovendien hebben die klassieke media nogal wat banden met bedrijven en overheden, kortom, de ‘gevestigde orde’. Neem nu de Flessenpost uit Bergen. Regelmatig verschijnen daarin filmpjes waar hoofdredacteur Harry Steunenberg aanschuift bij ondernemers en bestuurders. Een social media diehard zou zich zomaar kunnen afvragen: ‘Kan dat wel? Dat is tog niet pluis?’

Zoals gezegd, ze hebben vaak moeite met ‘speling’
Of het ligt aan een gebrekkige schoolopleiding of omdat ze in hun woede struikelen over de taal, feit is dat onder de fanatieke Facebook- en Twitter- en Instagramgebruikers veel matige spellers zitten. Zelfstandige naamwoorden als ‘hoer’ en ‘nazi’ lukken nog wel, maar met het vervoegen van werkwoorden hebben ze moeite, de d’s en t’s vliegen alle kanten op en meestal de verkeerde.
En dat is niet eerlijk. Want als mensen worden uitgescholden, mogen ze op zijn minst verwachten dat dat gebeurt in correct Nederlands. Tog?

Gerrit Mollema