Bergense hangjongeren in de oorlog en een bijna vergeten held

Door: Chris Houtman

Hoe was het gesteld met de Bergense jeugd in de eerste jaren van de bezetting? Het waren rare tijden, dat vooropgesteld. De meeste schoolgebouwen waren gevorderd door de Duitsers, dus er werd les gegeven op particuliere adressen, verspreid over het hele dorp. In de eerste paar maanden van de bezetting hielden de Duitsers zich nog enigszins op de vlakte, maar gaandeweg volgden er een aantal vrijheidsbeperkende maatregelen die het leven van de Bergense jongeren behoorlijk verstierden. Ze konden niet meer naar het strand of de duinen, er waren veelvuldig periodes met een avondklok hetgeen hen ook parten zal hebben gespeeld in het verenigingsleven. Bovendien zaten ze niet bij elkaar in hun oude vertrouwde schoolgebouwen die waren voorzien van faciliteiten als speelplaatsen, toneelpodia en gymlokalen. Kortom het leven werd er niet leuker op. Dat de Bergense jeugd zich allengs begon te vervelen, bleek onder meer uit een kleine rel die zich in mei 1942 afspeelde. Bij de gemeente kwam op de zestiende van die maand een brief binnen van de eigenaar van het Oranje Hotel Bergen-Binnen die zich beklaagde over de overlast door hangjongeren vanwege een verplaatsing van de bushalte naar een plek vlakbij zijn hotel.

‘Edelachtbare Heeren,

Tot mijn leedwezen  moet ik U mededeelen, dat door het verplaatsen van de standplaats van de autobussen Bergen-Alkmaar en Bergen-Schoorl voor mijn Hotel veel overlast veroorzaakt wordt door wachtende menschen. De volwassenen hebben de gewoonte te gaan zitten op de steenen van de bloembakken, waardoor de bloemen beschadigd worden en mijn gasten uitzicht hebben op de ruggen met verlengstukken van de wachtende dames en heeren, terwijl ook dikwijls de ingang geheel versperd is door het wachtende publiek. De kinderen en jongelui van de Mulo zitten op de zuilen, stapelen hun schooltasschen daar tegenaan, spelen op het terras, draaien de waterkraan van het terras open en zijn zeer rumoerig wat eveneens niet mijn zaak ten goede komt. Komen de bussen uit beide richtingen tegelijkertijd aan, dan is de straat geheel gevuld en krijgt men een opstopping en kunnen de auto’s van de weermacht welke bij mij ingekwartierd zijn niet voorrijden. Beleefd verzoek ik U die maatregelen te willen treffen welke mogen leiden tot verandering van de standplaats van den autobus.

Hoogachtend,

De heer Dalloyaux’

De crux van de brief zat ‘m natuurlijk in dat ene woordje ‘weermacht’, want zelden heeft een gemeentebestuur zo snel gereageerd als dat van Bergen, want reeds op 29 mei kreeg de heer Dalloyaux keurig antwoord:

‘Naar aanleiding van Uw nevenvermeld schrijven deel ik U mede, dat de halte van (…) de autobusdienst per 8 juni a.s. zal worden verplaatst naar de Stationsstraat.

De burgemeester.’

De busonderneming van de heer Adolf Schalkwijk, voluit de Noord-Hollandsche Mij. Tot Exploitatie Autobusdienst Onderneming Bergen-Binnen NV geheten, had het tijdens de bezetting ook niet bepaald gemakkelijk. Tekort aan brandstof noopte de onderneming ertoe om de bus al in 1940 uit te rusten met een aanhanger met een ‘Imbert’ houtgenerator. Dat de bus op brandhout reed, was voor de verzekering meteen een goede reden om de polis grondig te herzien.

‘Tusschen partijen is nader overeengekomen, dat de bij deze polis verzekerde autobus van 27 september 1940 af is voorzien van een aanhangende ‘Imbert’ houtgenerator. In verband hiermede wordt het maximum verzekerd bedrag voor schade door brand, explosie of zelfontbranding vastgesteld op f 15.500,-.‘

De bijstelling zorgde natuurlijk ook voor een verhoging van de premie die Van Schalwijk hoopte op te vangen door aan de gemeente toestemming te vragen om het aantal passagiers dat hij mocht vervoeren eveneens op te hogen. Eerst waren er 38 zitplaatsen, nu werden er ook staanplaatsen aan toegevoegd waardoor het aantal passagiers uitkwam op 61. Veel voordeel had Schalkwijk er echter niet van, want ook nu weer was de  verzekeringsmaatschappij er als de kippen bij en stelde dat met het toegenomen aantal passagiers er een nieuw veiligheidsrisico was ontstaan dat uiteraard verdisconteerd diende te worden in een nieuwe ophoging van de premie.

Dat Adolf van Schalwijk gedurende de oorlog betrokken was bij de Bergense ondergrondse en het leven van veel van zijn kameraden heeft gered, is een feit dat in de geschiedschrijving tot op heden helaas te weinig aandacht heeft gekregen. De aanleiding voor de heldendaad van Van Schalkwijk en diens tragische dood, waren twee vaten benzine die op 25 maart 1945 van een Duits voertuig waren afgevallen.
In zijn oorlogsmemoires schrijft Cor Sijpheer, een andere Bergense verzetsman hier het volgende over:

‘Op de hoek van de Teugelaan en de Kanaalweg te Schoorl woonde de fam. B., waar ook Joden ondergedoken zaten. De Heer B. was een gepensioneerde marineman en kon de moffen wel de strot afbijten. Op een gegeven dag ziet hij dat van een moffenauto twee vaten met benzine afrolden en in de wegberm bleven liggen. Deze benzine was voor het verzet goud waard. (…) We besloten deze daarom ’s nachts weg te halen en te begraven in de tuin van de familie T. aan de Russenweg, waarvan de achterkant doorliep tot de Notweg, ongeveer 50 meter voorbij waar ik woonde en waar de weg nog niet was verhard.’

Tot zover ging het goed, maar de volgende dag, op 26 maart 1945, arriveerde er een Duits militair voertuig met de gearresteerde heer Schalkwijk. De vaten werden onder dwang door Schalkwijk opgegraven en door de Duitsers ingeladen. Cor Sijpheer wist niet hoe hij het had:
‘Onze eerste gedachte was: dit is verraden werk, maar we konden niets doen.’

Gelukkig had Schalkwijk de tegenwoordigheid van geest om zijn verzetsgenoten via een slimme smoes te waarschuwen.
‘De heer Schalkwijk vroeg aan de Duitsers of hij na de graafklus even zijn handen mocht wassen, wat hij bij ons deed, in de keuken. (…) Hij wist ook niet wie hem had verraden, maar hij moest mee naar de Ortskommandantur in Alkmaar. Ik zou ondertussen alle betrokken verzetsmensen waarschuwen om te voorkomen dat iemand van ons zou worden gegrepen.’

De overige verzetsmensen doken bijtijds onder, maar voor de dappere Schalkwijk was het te laat. Cor noteerde in zijn memoires:
‘Toen kwam om 4 uur ’s middags het trieste bericht dat Schalkwijk dood was…’

Fragment uit het boek ‘Oorlog aan Zee’ van Chris Houtman dat op 14 september verschijnt en verkrijgbaar zal zijn bij Boekhandel Thomas en De Eerste Bergensche Boekhandel of digitaal besteld kan worden via de site van Oorlog aan Zee: oorlogaanzee.com
De opbrengsten van het boek komen volledig ten goede aan de voorstelling ‘Oorlog aan Zee’ die van 28 september tot en met 9 oktober in Bergen te zien zal zijn. Voor de speeldata zie eveneens de site oorlogaanzee.com

Foto 1: Adolf Schalkwijk, hij stierf tijdens of kort na zijn verhoor door de Duitsers. Hij werd 48 jaar. De precieze doodsoorzaak is onbekend, maar Sijpheer meende dat Schalkwijk tijdens het verhoor aan een hartaanval was overleden. Foto: Regionaal Archief Alkmaar, collectie Piet Mooij, Bergen

Foto 2: Een van de bussen van Schalkwijk, een Kromhoutbus uit 1940, van vòòr de periode dat er op hout moest worden gereden. Foto: Regionaal Archief Alkmaar, collectie Piet Mooij, Bergen

Foto 3: Handgeschreven lijstje van de heer Beets, het hoofd van de Openbare Lagere School (de latere Van Reenenschool) met een aantal van de noodlocaties waar tijdens de oorlog les werd gegeven. De getallen in potlood (rechts) verwijzen naar het aantal leerlingen dat in aanmerking kwam voor schoolvoeding. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

Klik op één van de afbeeldingen voor een vergroting.