28-11-2017 11:00

Een kunstenaar aan de kust. Vincent Bakkum vertelt...

Voetbal

Ik ga met Dries, m’n neef van vijftien, naar AZ. Ik was iets ouder dan hij toen ik voor het laatst een wedstrijd van AZ bijwoonde, toen ze landskampioen werden, in 1981. Vroegoude mannen, met kuiten en dijen, en haar, op de keeper na, veel haar.


‘Toen ik zo oud was als jij, ging ik vaak naar AZ in De Hout.

Een team van tuinders, magazijnbedienden, pornoacteurs en een paar Denen.

Het motregent op de Bergerweg. Alkmaar ligt onder een stolp van licht van het Afas Colosseum, waar de gladiatoren niet meer tegen schedels trappen maar tegen een opgeblazen varkensblaas. Watjes!

Een vergeten jeugd dringt zich op: het stelen van bier op het terrein van de Grosmarkt, de zelfgefabriceerde rookbommen van pvc-buizen vol sterretjes. Ik begin er met Dries over als we over de Vondelstraat naar de Kooimeer fietsen: ‘Toen ik zo oud was…’, maar hij luistert met een half oor. Het leven is nu, vroeger is dood. Dries is een exponent van zijn generatie. Hij straalt een ongekend vertrouwen uit, in zichzelf, in de toekomst, en hij geniet van de mogelijkheden die de techniek hem biedt. Allerlei zaken die ik minder uitbundig ervaar.

‘Toen ik zo oud was als jij, ging ik vaak naar AZ in De Hout. Voor niks. Dan klommen we over het muurtje achter café De Hertenkamp en dan moest je rennen over de staantribune, gauw ergens tussenschuiven en dan sjoef sjoef schoten je vrienden voorbij met achter zich aan zo’n grijsblauwe stofjas…’

‘Stofjas?’ vraagt Dries.

Inderdaad riekt de anekdote naar sigarenrook en incontinentie. Zelfs de naam van m’n toenmalige vriend ‘Van Oostindie’ klinkt als één van de voetbalhelden uit het jongensboek ‘Hard in het kruis’ van J.B.Schuil: ‘Van Oostindie schoof den knikker in de voeten van Huug Reus (het kanon) die heel zijn hoofd niet bij de match had, daar hij tusschen het publiek Kitty van de Mulo-school had opgemerkt. Zijn schot ging dan ook glad over.’

Bij de rotonde lossen we op in de stoet supporters. De donkere optocht, waaronder een enkele vrouw, stroomt als modder het stadion binnen en koekt aan tegen de tribunes. De harde kern van de Ben-Side is, op eng vlagvertoon na, zo mogelijk nog kleurlozer dan de overige aanhang van onbetekenende, zichzelf bloedserieus nemende mannen, mannen zoals ik; mannen die mij de illusie ontnemen een unieke eenling te zijn.

Dries heeft nergens last van, ook niet van de geluidsinstallatie die aan het ondraaglijke grenst. Hij belt met een vriend die hij verderop gespot heeft en installeert een app, zodat hij straks zijn ‘man of the match’ kan opgeven. Z’n haar zit slick als dat van de godenzonen op het veld.

We zitten naast het vak van de uitsupporters, een honderdtal hondsdolle, op amfetamine trippende, biergooiende primaten uit de Achterhoek. Ik tel hooguit vier, vijf vrouwtjes.

Anderhalf uur lang beukt de meest muzikale van de troep op een grote trom, terwijl de rest non-stop schreeuwt en brult om uit hun lijden te worden verlost. Jongemannen die u doordeweeks geduldig te woord staan bij de helpdesk, uw ramen lappen en uw behoeftige grootmoeder misschien wel verschonen.

Regengordijnen dansen in de stadionlampen als het eerste fluitsignaal klinkt. Het stopt met regenen als de ‘homofiele hondenlul’ affluit. Ik heb het écht gehoord! Van een man achter mij, die getergd de ene Zware Van Nelle na de andere opstak. Zo rook en zo klonk het vroeger in De Hout ook.

We eten een Turkse pizza en evalueren de wedstrijd. Gewend aan samenvattingen ging het mij allemaal te langzaam. Dries is blij dat ze op het nippertje gewonnen hebben.

‘‘Hup, Huug!’ klonk Kitty’s hese stem van den tribune. ‘In het kruis!’ Huug friemelde het leder door het woud van benen, floep, door het enige gaatje. Hoera. Hoera. Het draaide het meiske voor den ogen.’

 

Deel deze pagina